Geschiedenis van kerken en torens

De binnenstad van Groningen kent een aantal historische kerken en torens, waarvan met name de Martinikerk en -toren, en de Der Aa-kerk en -toren beeldbepalend zijn. Andere binnenstadskerken zijn o.a. de Rooms-Katholieke Sint Jozefkerk (voluit: Kathedrale kerk van de H.H. Martinus en Jozef) op de hoek van de Rademarkt/Radesingel, de Doopsgezinde kerk aan de Oude Boteringestraat en de Lutherse Kerk aan de Pelsterstraat. Als we de eerste stadsuitleg naar het noorden meerekenen, mag ook de Nieuwe Kerk aan het Nieuwe Kerkhof niet ontbreken, en verder kunnen we als belangrijke gebedsruimte nog noemen: de Joodse Synagoge aan de Folkingestraat. Enkele gasthuizen in de binnenstad hebben ook een eigen kerkgebouw (Peper- of Sint Geertruidsgasthuis, Pelster- of Heilige Geestgasthuis, maar beide kerken hebben geen karakteristieke torens, zoals de Martinitoren en de Der Aa-toren.
Kerken behoorden tot de vroegste bouwelementen van een stad, net als torens. Meestal waren ze vlakbij het bestuurlijke centrum gevestigd, zodat de wereldlijke en geestelijke overheid zo nodig invloed op elkaar konden uitoefenen. Hierna zullen we ons vooral concentreren op de Martinitoren en de Der Aa-toren, met respectievelijk 97 meter en 76 meter hoogte markante wijzers in het stadse gewoel. Andere hoge torens in de binnenstad zijn die van de Sint-Jozefkerk (ook 76 meter hoog) en het Academiegebouw van de Rijksuniversiteit Groningen (50 meter hoog).

De Martinitoren

Door Groningers (beter nog: Stadjers, d.w.z. de inwoners van de stad Groningen) liefdevol d’Olle Grieze genoemd (naar de donkergrijze kleur van de dominante Bentheimer zandsteen, waaruit de buitenkant van de toren grotendeels is opgetrokken) is de Martinitoren het symbool van ‘stad’ voor zowel de eigen inwoners als voor de Ommelanders (de mensen die in de oorspronkelijke Friese gebieden ten noorden, oosten en westen van de stad wonen), de Drenten aan de zuidkant van de stad, en voor de rest van Nederland. De toren lijkt veel op de Domtoren in Utrecht, en dat is geen toeval. De stad Groningen viel in de Middeleeuwen onder het bestuur van de bisschop van Utrecht, en deelde met die stad dezelfde schutspatroon: (Sint) Maarten of Martinus. Deze heilige, beschermheilige van de armen, werd geboren in Hongarije en stierf in de buurt van Tours (Frankrijk). Zijn leven wordt in het algemeen gedateerd in de vierde eeuw na Christus (316-397), en hij was o.a. bisschop van de Franse stad Tours. In Frankrijk ook verrichtte hij zijn wonderen, en werd hij bekend door zijn giften aan de armen. Een bekend verhaal is hoe Martinus voor de poorten van de stad een naakte bedelaar aantrof, resoluut zijn mantel uitdeed en deze met zijn zwaard in 2-en om de bedelaar in de warmte te kunnen laten delen. Deze scene is heel vaak door kunstenaars uitgebeeld, o.a. in baksteen (op de hoek tegenover de Martinitoren, in het hoekpand van de ABN-AMRO), maar ook door de bekende Ploegkunstenaar Johan Dijkstra, in de glas-in-loodramen van de Aula in het Academiegebouw.
De bisschop van Tours was beschermheilige van vele steden en dorpen, in Nederland o.a. van Utrecht, Groningen, Venlo, Bolsward en Losser. In Groningen (en ook elders in met name het noorden en oosten van Nederland) gedenken we zijn sterfdag op 11 november met het uitdelen van cadeautjes en (vooral) snoep aan langs de deur trekkende groepjes kinderen, elders wordt er met Sint Maarten vooral gans gegeten: die zijn dan op hun vetst, vlak voor het vertrek naar het warme zuiden.

De eerste kerk voor Sint Maarten is hier al rond 800 na Christus neergezet, en was van hout. Ze stond aan de rand van de brink, nu: de Grote Markt, bij (en misschien op) een middeleeuws grafveld, op het uiterste (noordelijke) puntje van de Hondsrug. wie goed kijkt ziet dat vanaf de voet van de toren alle straten naar beneden aflopen, iets wat met name goed zichtbaar is in noordelijke (Walburgstraat) en oostelijke (Sint Jansstraat) richting. Of deze houten kerk ook al een toren heeft gehad is onzeker.
Ergens in de periode rond het jaar 1000 werd deze houten kerk vervangen door een grotere kerk van tufsteen, een tamelijk kostbaar bouwmateriaal, dat waarschijnlijk per schip over de Eems werd aangevoerd. Tufsteen laat zich goed bewerken en stapelen, dus kon het -waarschijnlijk pas in de 13e eeuw- ook gebruikt worden voor het bouwen van een toren, met klokken daarin. Deze toren heeft het niet heel lang volgehouden, want in 1452 stortte ze in (misschien als gevolg van blikseminslag, maar er kan natuurlijk ook iets ‘fundamenteels’  fout gegaan zijn), en vervangen door een steviger exemplaar. Die tweede stenen toren hield het nog geen 20 jaar uit: in 1465 werd ze zwaar beschadigd door blikseminslag (het principe van de bliksemafleider werd pas eeuwen later uitgevonden), en in 1468 stortte ze definitief in.
Groningen was in de 15e eeuw een uitzonderlijk rijke stad, vooral vanwege het zogenaamde ‘stapelrecht’, dat wil zeggen dat handelaren in o.a. hout en graan verplicht werden alle vanuit het noorden in de Lage Landen ingevoerde handelswaar via en in de stad Groningen te verkopen, waar dan ook nog eens belasting over geheven werd. De rijkdom van de stad was o.a. goed af te lezen aan de grote bouwprojecten in die periode: de nu nog zichbare Martinikerk en Der Aa-kerk werden in deze eeuw neergezet.

De bouw van de huidige toren startte op 25 maart 1469, en duurde vele jaren. De eerste fase was in 1482 afgerond, waarna doorgebouwd werd aan de tweede trans van de troen (tot ca. 1505. Pas vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog (in of omstreeks 1554) was de toren af, hingen de luidklokken op hun plek en was er ook een uurwerk op de toren aangebracht. De Olle Grieze, opgetrokken uit baksteen en Bentheimer zandsteen, was een feit, en moet er (zonder de woon- en kantoortorens die de haar nu deels aan het zicht onttrekken) indrukwekkend hebben uitgezien, met een hoogte van misschien wel 102 meter.
Ook deze toren bleef echter niet gespaard. Weliswaar doorstond hij vrijwel ongeschonden de Beeldenstorm van 1566/67 maar tien jaar later, in 1577, vierden de Stadjers feest omdat de Waalse bezettingstroepen van dat moment de stad hadden verlaten. Dat feest werd o.a. luister bijgezet door het plaatsen en in brand steken van teervaten op en bij de top van de toren - en toen die teervaten ook de toren zelf in vuur en vlam zetten leek de glorie van Groningen ten onder te zullen gaan. De vanaf beneden aangetrokken zuurstof deed de toren als een schoorsteen ‘trekken’, en de schade was enorm. De hele kop was eraf, maar gelukkig lukte het om het fundament (de eerste drie transen) te behoeden voor de brand. Daarna werd de toren bekroond door de huidige, uit hout en koper bestaande top, maar de strijd tegen de Spanjaarden maakte dat dit werk pas in 1627 werd afgerond, en de toren zijn huidige hoogte van 96.8 meter had bereikt.
Nog regelmatig sloeg de bliksem in (gelukkig zonder fatale gevolgen), totdat in 1838 een bliksemafleider geplaatst werd. Ook in de daarop volgende jaren werd de toren niet gespaard: door een relatief te zwak fundament ontstonden er scheuren in het bouwwerk, die pas in de jaren ‘30 van de vorige eeuw konden worden tegen gegaan, met behulp van gevlochten spoorstaven en beton, dat als een soort van ondergrondse mantel rond de voet werd gelegd. De Tweede Wereldoorlog doorstond de  Martinitoren gelukkig ook, en de beschadigingen waren na afloop gering te noemen, zeker wanneer het vergeleken wordt met de rest van de Grote Markt oost-, west- en noordzijde, die vrijwel geheel in puin lagen. Het onderhoud van de toren ligt bij de gemeente Groningen, sinds 1798 eigenaar van het bouwwerk. Regelmatig verschijnen er stellages om de toren, om bijvoorbeeld voegwerk te herstellen, ornamenten te vervangen (zoals de kunstige spuiters, die zijn aangebracht om het hemelwater ver weg van de muren naar beneden te geleiden), de stenen schoon te maken etc.
Tot voor enkele jaren kon men de hele toren nog beklimmen, maar na een aantal ernstige ongelukken is besloten om slechts de eerste trans nog toegankelijk te houden (en te omgeven door een hek), en daarna kunnen bezoekers nog vanachter het uurwerk uitkijken over Stad en Ommeland.

De toren van de Der Aa-kerk.

Ook op de plek van de huidige der Aa-kerk stond al eerder een kerkgebouw. Zo rond 1000 was deze kapel gewijd aan zowel Maria als Nicolaas, en de huidige kerk zou dus met evenveel recht Mariakerk, Onze-Lieve-Vrouwekerk of Nicolaaskerk kunnen heten. Sint Nicolaas was de heilige van de zeevarenden, en aangenomen wordt dat die (vissers, zeehandelaren) juist in dit deel van de zich ontwikkelende stad woonden. Groningen, dat in 1040 stadsrechten kreeg, is altijd een belangrijke handelsstad geweest vanwege de goede verbindingen met de zee via met name het Reitdiep (de Aa).
In 1247 werd de kerk officieel een parochiekerk, en toen gewijd aan Onze Lieve Vrouwe ter Aa. Verschillende verbouwingen volgden, totdat in de 15e eeuw de huidige vorm verrees: een kerk met een heel hoog koor (net als de Martinikerk), maar ook met een even hoog transept (dwarsbeuk), waar dat van de Martinikerk relatief lager bleef. Wel overtrof de Martinitoren de Der Aa-toren qua hoogte: meer dan 100 meter tegen minder dan 80 meter voor de toren van de Der Aa-kerk. En wat erger was: de Der Aa-toren was aanmerkelijk minder stevig gebouwd dan de Martinitoren, waarschijnlijk omdat langszij de kerk een kleine haven had gelegen, die maakte dat de grond hier aanmerkelijk minder stevig was. Bij de restauratie van de Der Aa-kerk in de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw moesten dan ook verstevigende maatregelen genomen worden in de kerk zelf, zoals het aanbrengen van trekbalken en extra muurversteviging: de kerk dreigde anders langzaam maar zeker naar één kant in te storten. Dat instorten was al wel tot twee keer toe met de toren gebeurd: één keer door blikseminslag (in 1671), en één keer door slecht bouwen: op 23 april in het jaar 1710 stonden de burgemeesters van Groningen met hun collega uit Frankfurt am Main (Zacharias von Uffenbach) bovenop de Martinitoren, en liet men trots aan de Duitse collega de zich aldoor (met name in noordelijke richting) uitbreidende stad zien, totdat die collega opmerkte dat met een enorm geraas de Der Aa-toren instortte. Twee doden waren er te betreuren, en de schade aan de kerk was zeer groot. Hij omschreef het in zijn reisverslag als volgt: “een geweldig geschreeuw vervulde de lucht. Op de brokstukken van de kerk zitten de vrouwen te wenen als vroeger de Israëlieten bij de waterstromen van Babylon”. Het moet een geweldige indruk hebben gemaakt, maar al snel werd begonnen met de herbouw van de toren, nu in zijn huidige vorm met de twee enorme steunberen ter linker- en rechterzijde. Binnen enkele jaren was men klaar, en werden ook de drie nog steeds aanwezige luidklokken in de toren gehangen. Bij de laatste restauratie in de jaren ‘80 van de vorige eeuw kreeg de toren zijn oorspronkelijke kleuren wit en okergeel weer terug: het was even wennen, maar de Stadjers zijn nu aan de kleurstelling gewend geraakt, die immers nogal afwijkt van die van de Martinitoren.